‘Experience’ en ‘experiment’, deze woorden gaan beide terug op het Latijnse werkwoord experire, wat zich laat vertalen als ervaren, maar ook als beproeven. Het is de kern van de wetenschap. Proefondervindelijk wordt vastgesteld of een bepaalde hypothese klopt. Dat is het geval wanneer de proef repliceerbaar is: als de randvoorwaarden hetzelfde zijn, mag er dezelfde of tenminste een soortgelijke uitkomst worden verwacht. ‘Volgens beproefd recept’ zou men dat product dan kunnen noemen. Een geverifieerde of tenminste niet gefalsifieerde hypothese betekent dat de wetenschap weer een stapje verder is gebracht.
Wanneer in de kunst over experiment wordt gesproken – zeker sinds het modernisme geldt een experimenteel karakter als kwaliteitseis – ligt dit een slag anders. Daar is eerder een andere vertaling van experire aan de orde: het gaat om een beproeving, een riskeren.
Het experiment is er juist op gericht om een ander resultaat te krijgen dan wat er al mocht worden verwacht
Het experiment is er juist op gericht om een ander resultaat te krijgen dan wat er al mocht worden verwacht, het doel is innovatie en vernieuwing en soms zelfs het overschrijden van grenzen (transgressie), die van de kunstenaar (en diens lichaam en geest) en/of die van diens publiek. Daarvoor is wel van belang dat de kunstenaar vanuit diens oeuvre weet te articuleren in welke richting er gezocht wordt. Dat zich in dat werk een eigen (soms idiosyncratische) logica ontwikkelt, en dat een geslaagd experiment ook een proeve van bekwaamheid is – geslaagd volgens de eigen, maar ook voor anderen te begrijpen voorwaarden. Anders is een experiment eerder een recept voor vrijblijvendheid: het was maar een experiment, er stond niets op het spel. En dat terwijl je spel juist uiterst serieus moet nemen: een kind dat speelt en experimenteert is feitelijk bezig om zijn wereld te ordenen, begrijpen en vergroten. Het is bezig verbindingen in zijn brein te laten groeien, dezelfde handeling eindeloos herhalend om bijvoorbeeld te zien of een volgende keer die stapel niet toch zal blijven staan.
Kunst in opdracht wordt door sommige kunstbeoefenaars en – beschouwers aan mindere artistieke status toebedacht
Kunst in opdracht, wat kunst in de openbare ruimte in de meeste gevallen toch is, wordt door sommige kunstbeoefenaars en -beschouwers een mindere artistieke status toebedacht, omdat de kunstenaar niet alle randvoorwaarden zelf bepaalt. Die worden in dat geval niet als parameters, maar als hinderpalen voor experiment gezien. Er zijn technische beperkingen vanuit het oogpunt van veiligheid en molestbestendigheid (het bouwbesluit), belemmeringen vanwege de mogelijkheden en onmogelijkheden van de locatie en begrenzingen vanwege de gevraagde langdurige bestendigheid tegen erosie en natuurlijke slijtage. En, wat erger is, soms zijn er voorgegeven thema’s, veronderstelde regels van fatsoen en zelfs afgedwongen concessies aan een behoudende of zouteloze smaak. Kunstopdrachten vormen vanuit een dergelijke gereserveerde houding tegenover kunst in de openbare ruimte misschien een aardige verdienmogelijkheid, maar het echte, vrije werk wordt in het atelier gemaakt.
Natuurlijk wordt in die opvatting een al te rigide dogma van experimentaliteit gehanteerd. Deze opvatting gaat bovendien voorbij aan de motivatie van veel kunstenaars die in de openbare ruimte werken om zich tot een breder publiek te verhouden dan alleen de mensen die kunsttentoonstellingen bezoeken. Deze kunstenaars zoeken een directer contact met publiek en meer betekenis voor hun werk in het ‘echte’ leven. Aan dat leven willen zij met hun werk ook impulsen geven voor alternatieve leef- en beleefwijzen. Ze willen er onvermoede betekenissen van bloot leggen, en meer mensen deel willen laten hebben aan de inrichting ervan.
Liever je verhouden tot de weerbarstige werkelijkheid dan engagement dat zich beperkt tot studiowerk dat alleen gelijkgestemden bereikt
Liever je verhouden tot de weerbarstige werkelijkheid dan engagement dat zich beperkt tot studiowerk dat alleen gelijkgestemden bereikt en wordt verhandeld en aangekocht door wie over bovengemiddeld economisch en cultureel kapitaal beschikken. Zelf houd ik me al zo lang bezig met kunst in de publieke ruimte dat wel duidelijk zal zijn wat mijn opvatting hierover is. Maar het is wel noodzakelijk dat ook in de kunst in de openbare ruimte steeds nieuwe wegen bewandeld kunnen worden, die tot nieuwe analyse, ideeën, vormen en betekenissen kunnen leiden. Dat is juist van belang om ervoor te zorgen dat dit werkterrein geen excentrieke niche gaat vormen waarbinnen men het actuele, relevante kunstdiscours niet kan volgen, laat staan mede vormgeven.
Ik denk wel dat er een ontwikkeling gaande is die remmend werkt op de factor ‘experiment als spel’ ten behoeve van publieke kunst ‘volgens beproefd recept’.
Een standaard kunstopdracht doorloopt meestal min of meer dezelfde fases. Na een schetsontwerp SO (soms gevolgd door een voorlopig ontwerp VO) wordt het artistieke voorstel doorontwikkeld, zodat het technisch uitvoerbaar wordt, binnen de grenzen blijft van het budget en nieuwe vragen (praktische en inhoudelijke) pareert die vaak lopende het proces door voortschrijdend inzicht nog rijzen. Dat leidt tot een volledig onderbouwd definitief ontwerp, rijp voor vergunning- en fondsaanvragen, op basis waarvan met een gerust hart een opdracht tot uitvoering kan worden gegeven. Tijdens deze ontwerpfasen zijn er soms concessies nodig, die consequenties hebben voor hoe het werk er uiteindelijk uit komt te zien. Dit is wat sommigen tegenstaat in opdrachtskunst. Er is altijd een mate van prototyping in het spel, soms met de toepassing van technieken die zich in die vorm nog niet hebben bewezen. Opdrachtgevers, kunstenaars, bemiddelaars (en hopelijk publiek) gaan met elkaar een proces aan met een gedeelde verantwoordelijkheid, dat alleen tot een uitzonderlijk resultaat kan leiden als er het tot op zekere hoogte wordt toegestaan om een open einde te kennen. Waar de rol van kunst in het publieke domein is om ‘ruimte voor het onverwachte’ te maken, zoals de titel van een handleiding van het Amsterdams Fonds voor de Kunst luidt, is het van belang dat het proces dat ertoe leidt dit ook mogelijk maakt.
Waar de rol van kunst in het publieke domein is om ‘ruimte voor het onverwachte’ te maken, is het van belang dat het proces dit ook mogelijk maakt.
In de praktijk wordt er steeds meer op zeker gespeeld en wil men vooraf de uitkomst van het artistieke experiment al kennen. Kunstenaars worden geacht om garanties te bieden dat hun ontwerp door iedereen ‘leuk’ gevonden zal worden, dat er geen controverses zullen ontstaan en geen technische problemen zullen opduiken die de oplevering van het werk zullen vertragen. Het door de nieuwe Omgevingswet voorgeschreven participatieproces moet liefst ook door de kunstenaar worden ingevuld, en als er een publieke en/of publicitaire storm opsteekt, mag de kunstenaar ook vol op de kop tegen de wind in fietsen. In toenemende mate worden kunstopdrachten in de vorm van een tenderconstructie aanbesteed, waarbij elke afwijking van het oorspronkelijke plan of elke vertraging op de kunstenaar verhaald kan worden. Een van de gevolgen hiervan is dat steeds vaker de voorkeur wordt gegeven aan kunstenaars met een groot track record, met een studio die ingewikkelde en kostbare producties aan kan. Van deze kunstenaars wordt verwacht dat ze ongeveer hetzelfde zullen leveren als wat men op talloze plaatsen al heeft gezien, alsof ook het succes binnen de ene context moeiteloos reproduceerbaar is in elke andere. In weerwil van veel fantastische werken die er ook in de openbare ruimte verschijnen, lijken degenen in het kunstenveld met aarzelingen ten opzichte van deze discipline tegenwoordig vaker gelijk te krijgen.
Het zijn deze manifestaties die een zeker risico durven aangaan (…) en kunstenaars die daarmee hun meesterproef afleveren.
Gelukkig bestaat er een belangrijk tegenwicht tegen deze tendens. Kunstmanifestaties in de openbare ruimte mogen zich in steeds grotere belangstelling verheugen en slagen er steeds beter in om een stevige positie binnen het bestel te verwerven, regionaal en landelijk. Het zijn deze manifestaties die een zeker risico durven aangaan, met kunstwerken die zich verhouden tot een ruimtelijke en inhoudelijke context en tot elkaar en met soms jonge kunstenaars die zo soms hun eerste schreden in het publieke domein leren zetten. Kunstenaars die daarmee hun meesterproef afleveren. Kunstenaars ook, die juist door deze manifestaties worden opgemerkt door curatoren en bemiddelaars voor kunst in de openbare ruimte. Voor die discipline zijn deze manifestaties, zeker in tijden waarin kunstopdrachten in aantal en omvang teruglopen, van levensbelang. We zijn hier vandaag omdat het werk van Zoro Feigl op deze plaats niet heelhuids het einde van de manifestatie heeft gehaald. Toch hoort dat werk er net zoveel bij als de andere in de tentoonstelling. Als dit iets bewijst, dan is het dat de IJsselbiënnale en Zoro een gecalculeerd risico hebben durven nemen. Dan kan het een keer voorvallen dat, als je scherp zeilt op de wind, een keer een teleurstelling moet incasseren. Het werk heeft in alle glorie bestaan, korter dan gehoopt, maar lang genoeg om er vandaag op te kunnen reflecteren. Ik wens Zoro en de IJsselbiënnale nog veel open eindes toe.